natuurlijk kapitaal

Pilot Natuurlijk Kapitaal

wo 25 feb 2026
Image
Je hebt het wellicht al voorbij zien komen; ons Natuurlijk Kapitaal pilot! Benieuwd wat dit precies inhoudt en wat we ermee willen bereiken? Lees hier waar de pilot om draait!

Wat is er aan de hand?

Het rapport The Hidden Bill toont aan dat het huidige landbouwsysteem de kosten van instandhouding van biodiversiteit, bodem- en waterkwaliteit niet meeneemt. Daardoor lijken producten goedkoop. Maar in werkelijkheid stapelen de onbetaalde rekeningen zich op en helpen we heel langzaam het natuurlijke productiesysteem om zeep. Terwijl we inmiddels echt wel weten dat de natuur niet gratis en onuitputtelijk is. 

We weten ook wat we zouden moeten doen. Onderhoud plegen! Net als iedere huiseigenaar. Die weet immers dat uitstel op korte termijn weliswaar kosten bespaart, maar dat op lange termijn de boel in elkaar lazert en er waarde wordt vernietigd. Onverstandig dus!

Een nieuw paradigma 

Maar nu stuiten we op een weeffout. Want de inspanningen die de duurzame boer doet voor het in stand houden van het productiesysteem (biodiversiteit, bodem- en waterkwaliteit, ook wel ecosysteemdiensten genoemd) moeten boekhoudkundig gezien behandeld worden als kosten. Ze tellen daarmee direct door in de kostprijs van de geteelde producten. 

Maar wat nu als we de uitgaven voor het verbeteren van de weerbaarheid van het systeem zien als een investering die we mogen activeren op de balans? Dan ontstaat een nieuw economisch perspectief waarin natuur waarde krijgt als kritieke productie infrastructuur, ofwel ‘Natuurlijk Kapitaal’. Een nieuw paradigma dat in de financiële wereld, de duurzaamheidsbeweging en de wetenschap inmiddels breed wordt onderkend. 

De Pilot

Om de paradigma shift te realiseren moeten we nog wel het één en ander uitzoeken. Bijvoorbeeld hoe we objectief kunnen meten dat er sprake is van toename van ‘natuurlijk kapitaal. En liefst op een manier waarbij de boer niet meer werk krijgt. En verder: hoe kunnen we zorgen dat die toename financieel wordt gewaardeerd en zijn weerslag vindt in contracten. Die bovendien voldoen aan de heersende accounting principes. En tot slot is de uitdaging om te zorgen dat deze nieuw gecreëerde waarde ervoor gaat zorgen dat er meer kapitaal gaat stromen in de richting van natuurherstel, dus naar de boer die ten slotte de nieuwe waarde heeft gecreëerd.   

Beginnen bij investeerders

Methodes om te meten zijn belangrijk en nieuwe contracten zijn belangrijk. Maar geld is het allerbelangrijkst, en tot nu toe vaak de bottleneck om op lange termijn en grote schaal natuurinclusief te werken . Daarom beginnen we de Natuurlijk Kapitaal Pilot met het identificeren van potentiële private investeerders die een belang hebben bij het in stand houden of verbeteren van natuurlijk kapitaal. 

Denk hierbij bijvoorbeeld aan waterbedrijven die nu kosten maken om resten van bestrijdingsmiddelen te zuiveren uit het drinkwater. Onder het motto “voorkomen is beter dan genezen” hebben zij in principe een goede business case om te investeren in boeren die telen zonder gebruik van pesticiden waarvan de resten in het grondwater belanden. En misschien wel samen met gebiedspartners die geïnteresseerd zijn in andere elementen van het natuurlijke kapitaal. Zoals bijvoorbeeld nieuwe landschapselementen. 

Of denk aan grootgrondbezitters die landbouwgronden verpachten. Die hebben er in principe belang bij dat de boel niet wordt “uitgeboerd” maar dat dat de lange termijn productiecapaciteit en weerstandsvermogen tegen weersextremen in stand blijft of zelfs verbetert.  

Filantropisch geld is nodig

Het ontwikkelen van onze Natuurlijk Kapitaal Pilot past in de transitietheorie zoals ontwikkeld door DRIFT. Die gaat ervan uit dat uitdagers op pilotschaal prototypes ontwikkelen van “het nieuwe normaal”, dat deze geleidelijk winnen aan kracht en dat parallel daaraan gevestigde praktijken worden afgebouwd en verdwijnen en de pilots uitgroeien tot een nieuw normaal. 

De onderliggende gedachte van Natuurlijk Kapitaal is aansprekend, maar er is echt nog behoorlijk wat werk nodig om te bewijzen dat het in de praktijk ook werkt. Daarvoor is in de pioniersfase filantropisch geld nodig om risico’s te dragen, methodieken te ontwikkelen en een “proof of concept” neer te zetten. Niet om individuele boeren te subsidiëren, maar om een systeeminnovatie mogelijk te maken. 

Tot slot: zo wordt duurzaam voedsel écht goedkoper. 

En tot slot de kers op de taart. Als de boer betaald wordt voor de ecosysteemdiensten die hij onderhoudt en verbetert, en de uitgaven hiervoor zijn niet langer een kostenpost maar een investering, dan kan de kostprijs van de duurzaam geteelde producten dus omlaag. Daarmee wordt het huidige ongelijke speelveld waarop bijvoorbeeld biologische boeren moeten concurreren met hun gangbare collega’s geëgaliseerd. En daarmee wordt duurzaam geteeld en gezond voedsel toegankelijk voor iedereen.